In 2021 heeft een door de ALV benoemde commissie van 6 personen zich gebogen over wat voor auto’s “klassieke dwergauto’s” zijn. De commissie heeft geconcludeerd dat de kern van de DWAC gevormd wordt door naoorlogse “bubblecars”. Deze kenmerken zich door een hoge aaibaarheidsfactor en gering aantal pk’s en werden meestal niet op industriële schaal vervaardigd.

Uitgangspunt is dat “klassieke dwergauto’s” voertuigen zijn met een auto- of motorfietskenteken, (dus geen brommobielen of andere voertuigen met hulpmotor) en dat ze gerechtigd moeten zijn tot het voeren van donkerblauwe kentekenplaten. Bij voorkeur zitten die er ook daadwerkelijk op.

De commissie heeft een aantal criteria ontwikkeld, die voor een clubauto kunnen gelden en waar leden hun auto’s aan mogen toetsen. De commissie wil één afwijking toestaan, maar stelt tevens voor dat een voertuig met twee afwijkingen door de eigenaar aan de ALV mag worden voorgedragen en dan als “klassieke dwergauto” kan worden bestempeld. Als zodanig kan dit betreffende voertuig aan het HR worden toegevoegd. Bij meer dan twee afwijkingen zal het voertuig geen clubauto zijn.

De vijf criteria worden hierna uitgelegd en gemotiveerd.

  • Het vermogen bedraagt max. 26 pk
    Waar voorheen alleen gekeken werd naar cilinderinhoud vinden we het correcter om naar het vermogen te kijken. Vermogen bepaalt namelijk de mate waarin het voertuig in staat is te accelereren en hellingen kan nemen. Om de uitgezette ritten voor alle deelnemers mogelijk te maken, willen we met dit criterium de verschillen tussen de voertuigen beperken.
  • De lengte van het voertuig bedraagt max. 3,20 meter
    Dwergauto’s hebben door hun minimale afmetingen een hoge aaibaarheidsfactor. Dit karakteristieke kenmerk willen we door dit criterium waarborgen.
  • Er zijn in totaal max. 300.000 auto’s van dit type geproduceerd
    De dwergauto is ontwikkeld in de crisisjaren na de Tweede Wereldoorlog onder schaarste aan materiaal en aan financiële middelen. Omdat het nooit tot een grootschalige (industriële) productie is gekomen, zijn de meeste dwergauto’s technisch niet geheel uitontwikkeld tot een comfortabel en betrouwbaar product. Dit in tegenstelling tot ”echte” auto’s die door schaalgrootte deze beperking niet hadden.
  • Productie is gestopt vóór eind 1978 (wettelijke grens voor donkerblauwe kentekenplaten)
    Zo’n 30 jaar na de oorlog was de crisis wel voorbij en werden andere productietechnieken ontwikkeld om goedkoper te kunnen produceren. Door inzet van lasrobots en kunststof delen als bumpers, wieldoppen, dashboards e.d. wordt de auto een massaproduct. Het bijzondere karakter verdwijnt en onze dwergauto’s komen in schril contrast te staan met deze “moderne” auto’s.
  • Er is in Nederland geen andere autoclub die zich met dit type bezighoudt
    Buitenbeentjes zijn altijd welkom. Als er in Nederland geen andere autoclub van is en de auto voldoet aan op één na alle criteria die wij aan een dwergauto stellen, is men welkom om bij de DWAC aan te sluiten.

Als gevolg van de keuze van deze voorwaarden zijn er een aantal voertuigen klassieke dwergauto’s geworden, die vroeger niet in aanmerking kwamen, zoals de AWS Shopper, de Steyr-Puch Haflinger, de Austin 7 en enkele versies van de Morgan Three-wheeler.

Tegelijkertijd is de commissie er niet in geslaagd om, ondanks het oprekken van de leeftijdsgrens van 1969 tot 1976 een substantieel aantal jongere kleine automodellen als zijnde een klassieke dwergauto aan te wijzen. De commissie heeft een 70-tal traditionele en mogelijk nieuwe kandidaat-dwergauto’s aldus getoetst en op bijgaande lijst vermeld.

Een argument tot wijziging van de statuten en uitbreiding van de definitie was dat voor de jeugd de klassieke bubblecar financieel onbereikbaar zou zijn. De commissie heeft onderzoek verricht naar gangbare prijzen en daaruit geconcludeerd dat bepaalde typen Goggomobil, AWS Shopper, Lloyd en bijvoorbeeld de Vespa 400 wel degelijk binnen bereik liggen van jongeren die bereid zijn de handen uit de mouwen te steken. We hebben wel moeten constateren dat het aantal jongeren dat zelf wil sleutelen in onze maatschappij minder lijkt te zijn geworden.

Tenslotte heeft de commissie het thema van DWAC-ritten aangestipt. Door de zwakke motorisering en mindere betrouwbaarheid van de gemiddelde klassieke dwergauto, stelt de commissie dat ritten die door leden worden uitgezet, maar in elk geval de ritten die door het bestuur worden georganiseerd, moeten worden getoetst op geschiktheid voor de langzaamste deelnemers. De afgelopen jaren zijn een aantal ritten gehouden die overduidelijk met een moderne auto waren uitgezet en daardoor levensgevaarlijke situaties opleverden voor de deelnemers met de traagste auto’s. Daarbij merken we op dat sommigen niet snel willen rijden maar anderen het ook echt niet kunnen.

De commissie heeft daarom een checklist opgesteld, die hieronder volgt. Deels is deze bedoeld voor de organisatie, deels voor de deelnemers. Wij bevelen de ALV aan om deze checklist voor ritten ook in het huishoudelijk reglement op te nemen.

  • Deelnemers moeten te allen tijde veilig kunnen stoppen en kunnen sleutelen.
  • Alle deelnemers beschikken over een routebeschrijving, men rijdt niet in kolonne achter de voorste aan.
  • Deelnemers worden geïnstrueerd niet te stoppen bij pechgevallen waar al hulp aanwezig is.
  • Routes vermijden drukke hoofdwegen en verkeerssituaties waarbij snel moet kunnen worden opgetrokken.
  • Routes bevatten geen hellingen groter dan 15%, tunnels, autowegen, verkeerslichten en meerstrooksafslagen.
  • Er is altijd een benzinestation dicht bij de startlocatie, deelnemers beginnen met een volle tank.
  • Langs de route zijn voldoende terrasjes met adequate parkeergelegenheid.
  • De uitzetter laat de route controleren door een ervaren andere uitzetter.
  • Wanneer door de plaatselijke omstandigheden afgeweken moet worden van bovenstaande punten, wordt dat van te voren in de uitnodiging gemeld.